Home <— Regenten <—

 

Regenten Weeshuis Leiden
van Voorst

 

van Voorst : Personalia
 < bron
1 > 
             
  Voorst, prof. Johannes van, echtgenoot van Hendrika Amelia Noordink, regentes van 1804-1818,  
  geb. Delft 17.3.1757,  
  overl. L. 30.7.1833 (76 jaar),  
  woonde op het Steenschuur en het Rapenburg, ingeschreven als student 10-9-1772, 15 jaar T. Coll.al.,  
  predikant te Hall 1778-1780,  
  predikant te Wageningen 1780-1781,  
  predikant te Zierikzee 1781-1788,  
  hoogleraar te Franeker 1788-1797,  
  doctor in de godsgeleerdheid 1788,  
10    geref. predikant te Arnhem 1797-1799,  
11    hoogleraar godsgeleerdheid, christelijke oudheden,  
12    christelijke leerstellingen en uitlegging N.T. (PH) in de faculteit der wijsbegeerte 1799-1803 te Leiden,  
13    als tevoren maar in de fac. der godsgeleerdheid (TH) 1803-1827,  
14    lid van het college van rechteren van de universiteit [dit college wordt gecomponeerd uit elf leden, n.l. de rector-magnificus, vier assessoren, drie wethouders en drie gedeputeerden uit het college van schepenen] 1800-1811,  
15    secretaris van de senaat van de universiteit 1800,  
16    rector-magnificus 1803,  
17    lid commissie toezicht over de lagere en armenscholen (plaatselijke schoolcommissie) 1806-1833,  
18    rector- magnificus van de kon. universiteit te Leiden 1808 en 1816,  
19    een van de directeuren van het Stolpiaansch legaat 1809,  
20    academieprediker 1815-1820,  
21    adjunkt-bibliothecaris 1816-1820,  
22    bibliothecaris 1820-1833,  
23    lid commissie Nederlands Hervormd Kerkgenootschap 1820-1833,  
24    secretaris universiteit 1822, assessor 1823, 1826, emeritaat 1827,  
25    lid van de Maatschappy der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1803-1833,  
26    mede-directeur van het Haagsche Genootschap 1809-1833,  
27    lid van de eerste algemene synode der Herv. Kerk in 1816 en ook nadien diverse malen pre-adviseur,  
28    11 jaar lid van het leesgezelschap 'Miscens Utile Dulci',  
29    burgerlijk lid van de Maatschappij van Weldadigheid, afd. Leiden 1818-1834,  
30    zoon van Willem van Voorst, schoenmaker en Magdalena van den Berg,  
31    x 1779 Hendrika Amelia Noordink, geb. Deventer [1759], overl. L. 18.4.1840 (81 jaar), dochter van Hendrik Noordink en Margaretha Bouwmeester, op 18-3-1799 als lidmaat van de NHK ingekomen [met attestatie] wonende op het Steenschuur.  
             
 

 

van Voorst :  Notitie 1
 < pers
2 > 
             
1   - Adriana Magdalena Van Voorst [dochter van Johannes van Voorst en Hendrika Amelia Noordink?] en Hendrika Amelia Noordink op het Steenschuur ingekomen 18-3-1799.  
             
   
(Kerkeraad Ned. Herv. Gemeente Leiden, inv.nr. 87.)
Achter in dit boek zijn uit de wijk bevattende de Hoogewoerd, Garenmarkt de ingekomene en aangenomene leden in de jaren 1787-1826.)
 
 

 

van Voorst :  Notitie 2
 < 1
3 > 
             
1   - Adriana Magdalena van Voorst, jonged. overleden 2-3-1801 van het Rapenburg naar Katwijk aan Zee. Eerste klasse fl. 30,--. [dochter van Johannes van Voorst en Hendrika Amelia Noordink?]  
             
   
(GAL, Begraafboeken, buiten begraven; Rechterlijk Archief inv.nr. 213, impost op het begraven 1790-jan -1802-jan.
 
 

 

van Voorst :  Notitie 3
 < 2
4 > 
             
1   - Johannes van Voorst (72) uit Delft, em. hoogleraar en Hendrika Amelia Noordink (70) uit Deventer woonde in 1829 op het Rapenburg [59] aantal dienstboden: twee.  
             
   
(GAL, Volkstelling 1818, inv.nr. 1091, wijk 1, nr. 313; Volkstelling 1829, inv.nr. 1092, wijk 1, nr. 313).
 
 

 

van Voorst :  Notitie 4
 < 3
5 > 
             
1   - In 1787 werd een door hem geschreven Verhandeling door het Teyler Genootschap bekroond. en een opstel door het Haagsch Genootschap.  
             
   
( Otterspeer, W., De wiekslag van hun geest. De Leidse universiteit in de negentiende eeuw. Hollandse Historische Reeks 18. Den Haag 1992, 205).
 
 

 

van Voorst :  Notitie 5
 < 4
6 > 
             
1   - Op 20-3-1799 wordt benoemd door curatoren Johannes van Voorst, voorheen professor te Franeker, thans predikant te Amsterdam tot ord. prof. in de ethica op fl. 1800,--.  
             
   
( Molhuysen, P.C., Bronnen tot de geschiedenis der Leidsche Universiteit, deel VII, ('s Gravenhage 1924) 120;
Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, IX, 1231;
Lieburg F.A. van, Repertorium van Nederlandse hervormde predikanten tot 1816, deel 1: predikanten. (Dordrecht 1996) 267 noemen Arnhem als standplaats).
 
 

 

van Voorst :  Notitie 6
 < 5
7 > 
             
1   - Op 21-3-1799 wordt Voorst benoemd tot prof. christelijke oudheden, christelijke leerstellingen en uitlegging N.T.  
             
   
( Molhuysen, P.C., Bronnen tot de geschiedenis der Leidsche Universiteit, deel VII, ('s Gravenhage 1924) 121).
 
 

 

van Voorst :  Notitie 7
 < 6
8 > 
             
1   - Op 15-10-1803 wordt Voorst benoemd tot prof. theologie in de fac. der godsgeleerdheid met ingang van 8-2-1804 de dag waarop hij als rector-magnificus zal aftreden en zal zijn wedde worden verhoogd met fl. 200,--.  
             
   
( Molhuysen, P.C., Bronnen tot de geschiedenis der Leidsche Universiteit, deel VII, ('s Gravenhage 1924) 226).
 
 

 

van Voorst :  Notitie 8
 < 7
9 > 
             
1   - J. van Voorst huurde van 1811-1833 het huis Rapenburg 59 met zijn vrouw Hendrica Amelia Noordink en in 1829 als dienstbodes Engel van Gameren en Jenneke Verhoeven. In 1825 betaalde hij fl. 370,-- huur per jaar. Hij bezat tevens een buitenplaatsje 'Ons Genoegen' in Oegstgeest. (p.71).  
2   - Het hoekhuis Rapenburg 59 was sinds 1800 eigendom van Agatha Louisa Van Dam, wed. van Pieter Pompe van Slingeland. (Optie op dit pand had ook Cornelis van der Reyden, lid van het Comite van Criminele en civiele Justitie van de stad Leiden). Zij verhuurde het pand Rapenburg 59 jarenlang aan de hoogleraar Johannes van Voorst. Hij protegeerde de jonge Thorbecke. Zoals Thorbecke zelf aan zijn vader schreef:'Wat mijn verkeer aan het huis van prf. Van Voorst betreft, zoo kan ik u daaromtrent de aangenaamste berigten geven. Ik bezoek dat huis doorgaans om den anderen dag en worde daar met die vertrouwelijkheid, hartelijkheid en liefde altoos ontvangen en behandeld, als buiten ten Uwent nergens. Vooral echter bepaalt zich deze verkering, daar de professor buiten tijds altoos zijn occupatien heeft, tot mevrouw, die ik dan ook bijna als mijne andere moeder beschouw. Bovendien eet ik er dikwijls en vooral bij eenige bijzondere gelegenheid of huiselijke vreugde. Zoo heb ik nog onlangs medegevierd den drie en zestigsten verjaardag van den hoogleraar. Ik ben hier in veele betrekkingen en kom aan veele huizen, maar nergens gevoel ik mij zoo als bij den hoogleraar Van Voorst,want daar ben ik als kind'.  
3   Naast Rapenburg 59 dat Van Voorst tot zijn door bleef huren bezat hij zelf een 'aangenaam en welgelegen buitenplaatsje genaamd 'Ons Genoegen', oorspronkelijk een huismanswoning onder Oegstgeest dat bij de verkoop na zijn dood werd beschreven als met 'vijf zo beneden als bovenkamers, gedeeltelijk behangen, een meidenkamer, keuken, kelder en zolders, voorst een koestal voor 12 koeyen, paardenstal, wagenhuis, werf en ( ) daarbij behoorende tuin'. (p.117).  
4   - Portret van J. van Voorst op p. 116.  
5   Leendert Springer, Johannes van Voorst, litho, 24,5x20, GAL.  
             
   
( Th.H. Lunsingh Scheurleer, C.W. Fock en A.J. van Dissel, Het Rapenburg. Geschiedenis van een Leidse gracht. Deel VIa: Het Rijck van Pallas (Leiden 1992) 71, 116-117).
 
 

 

van Voorst :  Notitie 9
 < 8
10 > 
             
1   - H.A. Noordink, weduwe van J. van Voorst huurde van 1839-1840 met haar twee dienstbodes het pand Rapenburg 21.  
             
   
( Th.H. Lunsingh Scheurleer, C.W. Fock en A.J. van Dissel, Het Rapenburg. Geschiedenis van een Leidse gracht. Deel I: Groenhazenburch (Leiden 1986) 364).
 
 

 

van Voorst :  Notitie 10
 < 9
11 > 
             
1   - Bundel met een feestrede bij de viering van zijn 40-jarigen dienst aan de kerk en Hoogeschool, 18-10-1818; met o.a. De Leydsche weezen aan de burgery dier stad, by den aanvang van het jaar 1821; De Wonderboom.  
             
   
(GAL, bibli Leiden en omgeving, 7000, Voorst, J. van, p).
 
 

 

van Voorst :  Notitie 11
 < 10
12 > 
             
1   - Johannes van Voorst: 1820-1833.  
2   Levensschets. Hoewel gedurende zijn ambtsperiode cruciale ontwikkelingen plaatsvonden, is Johannes van Voorst een 'vergeten' bibliothecaris. Hij ontbeerde zowel de flamboyante stijl van Ruhnkenius als de internationale vermaardheid van Wyttenbach. De man die 'liefst op zijn studeervertrek was...'en zich 'zelfs in den huiselijken kring steeds met een boek bezig hield', vertegenwoordigde de typisch Nederlandsche huiselijkheid uit de negentiende eeuw'. Hij werd in 1757 te Delft geboren en studeerde theologie te Leiden. Hij rekende zich zelf tot de Leidse filologische school; zijn leermeesters waren Ruhnkenius, Valckenaer en J.J. Schultens. Na zeven jaar in verscheidene kerkelijke gemeenten gediend te hebben, werd hij in 1788 hoogleraar theologie te Franeker. In de Franse tijd diende hij opnieuw als predikant te Arnhem, waar hem het bericht van een benoeming aan de Leidse Universiteit bereikte. In 1799 aanvaardde hij het ambt van hoogleraar in de christelijke oudheden en de geschiedenis der christelijke instellingen. In zijn onderwijs beoogde Van Voorst de toekomstige predikanten te doordringen van het belang van een niet aflatende studie van de bijbel, maar ook van oude en recente teksten die een onverwacht licht op de Schrift konden werpen. Ook zijn geschriften getuigden van deze opmerkelijke openheid van geest. Naast zijn hoogleraarschap vervulde Van Voorst tevens het ambt van academieprediker (1815-1821), tweede bibliothecaris (1816-1820) en bibliothecaris (1820-1833). Buiten Leiden was hij nauw betrokken bij de synode van de Hervormde Kerk en bij het Haagsch Genootschap, waarvan hij in 1809 mededirecteur werd. Kort tevoren was dit genootschap opgericht als reactie op de Verlichting, met het doel het christendom een nieuwe plaats in de cultuur te geven. In zijn Memoria Joannis van Voorst beschreef W.A. van Hengel het leven van zijn lermeester als quasi bipartita, bijna tweedelig: aan de ene kant zijn wetenschappelijk leven en aan de andere kant zijn kerkelijke taken. Binnen dat wetenschappelijk leven kon de zorg voor de bibliotheek slechts een bescheiden plaats innemen. Deze situatie was niet nieuw:bij de eerdere hoogleraren-bibliothecarissen was het net zo geweest. Niettemin was het tot dan toe gelukt de bibliotheek te runnen met de hulp van een zeer gering aantal mensen: de Interpres Legati Warneriani voor de oosterse collectie en twee custodes. Maar naarmate men uit de crisis van de Franse tijd geraakte en de opbouw van het nieuwe Koninkrijk meemaakte, vereiste het bestieren van de bibliotheek meer mankracht. Van Voorst kreeg de hulp van twee onderbibliothecarissen, J. Geel in 1822 en J.T. Bergman in 1827.  
3   N.B. Op p. 155 is het portret van Johannes van Voorst door Louis Moritz opgenomen. Afb. 177.  
             
   
( Ch. Berkvens-Stevelinck, Geschiedenis van de Leidse Universiteitsbibliotheek 1575-2000 (Leiden 2001) 155-156).
 
 

 

van Voorst :  Notitie 12
 < 11
13 > 
             
1   -De testateuren hebben verklaard niet boven de vijftig duizend gulden gegoed te zijn en de man in het ambtgeld niet bekend te zijn.  
2   Op 11-7-1801 verscheen voor notaris Passchier Soetbrood den weledel hooggeleerde heer Joannes van Voorst, theol. doct. en professor aan 's lands universiteit alhier en vrouwe Hendrika Amelia Noordink, echtelieden, wonende op het Steenschuur tussen de St. Jacobsgracht en de Koepoortsgracht....  
3   Zo verklaarden zij comparanten elkaar over en weer ende zulks de eerststervende de langstlevende van hen beiden te nomineren en te instituweren tot zijn ofte hare enige algehele en universele erfgenaam of erfgename ende dat generalijk in alle de goederen die de eerststervende van hun comparante in enigerhande manieren metterdood zal komen te ontruimen ende na te laten met volle rechten van institutie.  
4   Behoudelijk....dat de langstlevende gehouden zal zijn het kind of kinderen uit dit huwelijk verwekt ende in het leven na te laten eerlijk ende na den staats des boedels te alimenteren en op te voeden tot den ouderdom van 25 jaar, eerder huwelijk of andere staat en tevens zal de langstlevende gehouden zijn aan deszelve kind of kinderen uit te keren en te laten volgen zodanige som van penningen als de gemelde langstlevende na den staat en gelegenheid des boedels....  
5   Stelden voorts zij comparanten tot voogd/voogdesse of voogden over hun minderjarige kinderen de eerststervende de langstlevende van hun beiden en voorts zij comparanten beiden op de dood van de langstlevende de heer Dirk Cornelis van Voorst, predikant in de gereformeerde gemeente te Amsterdam, comparants broeder en Johannes Bernardus Noordink predikant in de gereformeerde gemeente te Den Haag, comparantes broeder, voorts mede om roerende en onroerende goederen van de boedel zonder decreet van de rechter te mogen verkopen en dat alles met uitsluiting van alle magistarten, gerechten, weeskamers .. Voorts behouden comparanten het recht om dit testament te wijzigen...  
             
   
(GAL, Notarieel Archief, notaris P. Soetbrood, inv.nr. 2353-2399, 1801, acte nr. 137, f. 795, fiche nr. 1498, lade 67).
 
 

 

van Voorst :  Notitie 13
 < 12
14 > 
             
1   - Op 5-8-1833 is bij notaris Thomas van Bergen een oliografisch testament gedeponeerd, gevonden in den boedel van wijlen hoogleraar Johannes van Voorst gewoond hebbende en den 29 juli deses jaars [1833] alhier ter stede overleden, bevattende drie beschreven zijde en getekend Johannes van Voorst ten mijne huize den 24 december 1814.  
2   Ik ondergetekende Johannes van Voorst heb gemaakt en met eigene hand geschreven dit mijn tegenwoordig testament, 't welk ik begeere, dat na mijn overlijden zal worden nagekomen als mijn uitersten wil bevattende:  
3   Ik beroepe en vernietige hiermede alle te voren door mij gemaakte dispositien betreffende mijne nalatenschap en ook met name het door mij en mijne echtgenote gemaakte testament te dezer stede ten overstaan van den notaris P. Soetbrood en getuigen, 11 juli 1801.  
4   Ik stelle thans tot mijn erfgenamen, 1) mijn echtgenote Hendrika Amelia Noordink, 2) mijn zoon Willem Hendrik van Voorst, 3) mijn dochter Margaretha Wilhelmina van Voorst ieder voor een derde gedeelte, met dien verstande dat ik aan mijn echtgenote ook voor haar levenlang het vruchtgebruik maken van het 2/3 deel over welk ik volgens de thans bestaande wet beschikking gemaakt heb ten behoeve mijner kinderen.  
5   Tot enige executrice van dit testament benoem ik mijn echtgenote of bij vroeger overlijden mijn zoon Willem Hendrik van Voorst en schoonzoon Servaas Gregoor.  
6   Ten aanzien mijner bibliotheek verlang ik dat dezelve in haar geheel blijve, en alzo na mijn overlijden ten meeste voordelen hetzij uit de hand, hetzij openlijk worde verkocht tot hoedanig einde de catalogus door een kundige hand naar de gedane aanwijzing in een door mij zelve zo ik hope geschreven catalogus moet worden opgemaakt ook met vermelding van de namen der auteurs en titels van alle door mij verzamelde losse dissertaties en oraties ieder afzonderlijk. Ik hoop dat na mijn overlijden een nagenoeg complete door mij zelf vervaardigde alfabetische lijst zal voorhanden zijn, zoals die ook van de meeste andere bijeengebondene disertaties en oraties op een der schutbladen van elk der banden zal voorhanden zijn.......  
7   Dus zodanig zijn mijn beschikkingen dat ik verlang dat door de mijnen zonder inroeping van rechterlijk gezag en zonder notariële of andere vreemde hulp en wel bepaaldelijk alleen door de aangestelde executeurs uitgevoerd wordt. Ik heb deze mijne uiterste wille eigenhandig geschreven en dus ondertekend Johannes van Voorts. Ten mijne huize den 24 december 1814.  
             
   
(GAL, Notarieel Archief, notaris Thomas van Bergen acte nr. 111, dd. 9-8-1833, inv.nr. 81, fiche nr. 1242, f.149 e.v.)
 
 

 

van Voorst :  Notitie 14
 < 13
15 > 
             
1   - Servaas Gregoor, beroep predikant te Hoevelaken, jongeman van Dordrecht wonende op het Rapenburg, vergez. van zijn vader Nicolaas Gregoor wonende te Dordrecht  
2   x L. 5-10-1810 Margaretha Wilhelmina van Voorst, jonged. van Zierikzee, wonende op het Rapenburg, vergez. van haar vader Johannes van Voorst.  
             
   
(GAL, Ondertrouw- en Trouwboek voor schepenen 1809-1811, f. 355v).
 
 

 

van Voorst :  Notitie 15
 < 14
16 > 
             
1   - Proces verbaal dd. 21-9-1833, acte nr. 124.  
2   Zijnde mr. Willem Hendrik van Voorst, comparant met en benevens zijn zuster Margaretha Wilhelmina van Voorst, echtgenote van Servaas Gregoor de enige in leven zijnde kinderen en descendenten van wijlen hunne vader Johannes van Voorst ingevolge zijn voorgeschreven olografisch testament gerechtigd tot het overige gedeelte zijner nalatenschap. Dewelken verklaarde genegen te zijn om ingevolge de gedane bekendmaking bij biljetten op heden in het logement aan den Burch publiek te veilen en bij afslag te verkopen het buitenverblijf Ons genoegen en zulks op de volgend voorwaarden:  
3   ........  
4   art. 2......met uitzondering van alle roerende goederen, welke niet onmiddellijk tot het te veielen perceel behoren niettegenstaande sommige daarvan aard- of nagelvast mochten zijn.  
5   Volgt de beschrijving van het perceel en particuliere bepalingen:  
6   Een aangenaam en welgelegen buitenplaatsje genaamd Ons genoegen staande en gelegen onder Oegstgeest vooraan op de Lageweg omtrent het vanouds genaamde Pennemakershuisje, zeer nabij de stad Leiden. Bestaande de huizinge in vijf zo beneden als bovenkamers, gedeeltelijk behangen, een meidenkamer, keuken, kelder en zolders, voorts een koeienstal voor twaalf koeien, paardenstal, wagenhuis, werf en een vijf roeden barg benevens een daarbij behorende tuin getekend met nr. 41, belend ten westen den Lageweg, ten oosten, zuiden en noorden Martinus Dieben. Waaraan de heer Johannes van Voorst eigendom bekomen heeft dd. 1-11-1825.  
7   De koper zal gehouden zijn om boven en behalve zijn uitgeloofde kooppenningen voor een som van fl. 25,-- over te nemen een wastafel, twee tuinstoeltjes, een bank, twee zonnescheremen, een vliegenkast en een waterton.  
8   Het buiten is op genoemde veiling niet verkocht.  
             
   
(GAL, Notarieel Archief, notaris Thomas van Bergen, 1833, acte nr. 124, inv.nr. 81, fiche nr. 1246).
 
 

 

van Voorst :  Notitie 16
 < 15
bron > 
             
1   - Transport dd. 31-10-1833, acte nr. 144.  
2   Op 31-10-1833 is het buitenplaatsje alsnog verkocht voor de som van fl.1850,--.  
             
   
(GAL, Notarieel Archief, notaris Thomas van Bergen, 1833, acte nr. 144, inv.nr. 81, fiche nr. 1249).
 
 

 

van Voorst : Bronnen
             
  GAL, Doop-, Trouw en Begraafboeken.
  GAL, Album Studiosorum, f. 1109.
  GAL, Liste Civique de la commune de Leide 1811, nr. 197.
  GAL. Volkstelling 1818, inv.nr. 1091, wijk 1, nr. 313.
  GAL, Volkstelling 1829, inv.nr. 1092, wijk 1, nr. 313.
  GAL, Herenboekjes.
  GAL, Kerkeraad der NH Gemeente te Leiden, inv.nr. 87, Achter aan in dit boek zijn uit de wijk bevattende de Hoogewoerd, Garenmarkt, de ingekomeme en aangenomene leden in de jaren 1787-1826.
  GAL, bibli Leiden en omgeving, 7000, Voorst, J. van, p.
  GAL, Icones Leidenses (Leiden 1973) 201.
10    GAL, Album Scholasticum (Leiden 1941) 166.
11    GAL, Maatschappij van Weldadigheid, subcommissie Leiden, inv.nr. 73.
12    UB Leiden (Douzakamer),Archief Maatschappy der Nederlandsche Letterkunde te Leyden, inv.nr. 318, BA 3, p. 60, inv.nrs. 319, 321, 323.
13    Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel IX (Leiden 1933) 1231.
14    Biografisch Lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse Protestantisme, deel 2 (Kampen 1983)449-451.
15    P.C. Molhuysen, Bronnen tot de geschiedenis der Leidsche Universiteit, deel VII, ('s Gravenhage 1924) 120, 121, 226, 86*, 95*-96*.
16    Lieburg, F.A. van, Repertorium van Nederlandse hervormde predikanten tot 1816, deel 1: predikanten. (Dordrecht 1996) 267.
17    Otterspeer, W., De wiekslag van hun geest. De Leidse universiteit in de negentiende eeuw. Hollandse Historische Reeks 18
18    (Den Haag 1992) 46, 49-51, 83, 205.
19    Th.H. Lunsingh Scheurleer, C.W. Fock en A.J. van Dissel, Het Rapenburg. Geschiedenis van een Leidse gracht. Deel 1: Groenhazenburch (Leiden 1986) 364.
20    Berkvens-Stevelinck, Ch. Geschiedenis van de Leidse Universiteitsbibliotheek 1575-2000 (Leiden 2001) 155-156.
             
 

 

PublicatieAuteurHome
Leiden
Weeshuis
Regenten
Antoinette
Frijns
2008
www.janvanhout.nl
Leiden