Home <— Regenten <—

 

Regenten Weeshuis Leiden
van der Stengh

 

van der Stengh : Personalia
 < bron
1 > 
             
  Stengh, jr., Willem van der, (nr. 2059) regent van 1796-1797,  
  geb. L. 8.3.1756, ged. L. PK.10.3.1756,  
  overl. L. 4.1.1819 (64 jaar), woonde op de Cellebroersgracht,  
  adjunkt-opziener over de collectieve middelen 1782-1810,  
  regent van het Huiszittenhuis 1797-1810,  
  regent van het Jan Willemsz. van Woudendorps Hof in de Vrouwe Choorsteeg 1799-1816,  
  honorair lid van het Tael- en Dichtlievend Genootschap, onder de Spreuk: Kunst wordt door Arbeid Verkreegen 19-5-1790,  
  lid van de Gemeenebestgezinde Societeit 'Nuttig en Bedachtzaam' 1795-nov. 1797,  
  honorair lid van de societeit van wapenhandel onder de spreuk: Voor Vrijheid en Vaderland, binnen Leyden 1784,  
10    lid van de commissie ter directie van genoemde societeit 1786,  
11    lid van het comitté van genoemde societeit 1787,  
12    burgerlijk lid van de Maatschappij van Weldadigheid, afd. Leiden 1818-1819 (overleden),  
13    gepensioneerd ontvanger 1819,  
14    zoon van Willem van der Stengh en Adriana Clos.  
15    Ongehuwd.  
             
 

 

van der Stengh :  Notitie 1
 < pers
2 > 
             
1   - Willem van der Stengh jr. is een halfzuster van Sara Elisabeth vander Stengh, echtgenote van dr. Paulus la Lau. Beiden hebben dezelfde vader, Willem van der Stengh, opziener van 's Lands recht op de gezegelde en ongezegelde biljetten over Leiden en ressort.  
             
   
(GAL, Notarieel Archief, notaris J.P. Klinkenberg Dozy, inv.nr. 2662-2678, 1796, acte nr. 10, f. 37, fiche nr. 2, lade 78).
 
 

 

van der Stengh :  Notitie 2
 < 1
3 > 
             
1   - Willem van der Stengh jr., stemgerechtigd woonde bij zijn ouders en drie dienstboden op de Cellebroersgracht.  
2   Eigenaar: Collegium Theologicum.  
             
   
(GAL, Bevolkingsregister 1796-1804, inv.nr. 1904, buurt 13, nr. 43).
 
 

 

van der Stengh :  Notitie 3
 < 2
4 > 
             
1   - Verschijnen ingevolge de bekendmaking der municipaliteit van den 14 maart 1800 de volgende 's lands politieke ambtenaren, zowel gepensioneerden als dadelijk in dienst zijnde, (Zie bijlage nr. 52) aan de welken gexecuteerd is de resolutie van de Municipaliteit van gemelde dag, na alvorens bij deze vergadering bepaald was, dat de gerequireerde opgaven zouden moeten worden ingeleverd binnen acht dagen na de aanzegging aan dit comité.  
             
   
( SA II, inv.nr. 636, verg. comité van algemeen belang,d.d. 20-3-1800).
 
 

 

van der Stengh :  Notitie 4
 < 3
5 > 
             
1   - 'Lands politieke ambtenaren zo gepensioneerde als dadelijk in dienst zijnde, die in gevolge de bekendmaking der municipaliteit van den 14 maart 1800 zijn gecompareerd.  
2   Donderdag den 20 maart 1800:  
3   Willem van der Stengh junior.  
             
   
( SA II, inv.nr. 636, verg. comité van algemeen belang,bijlage nr.52, d.d. 20-3-1800).
 
 

 

van der Stengh :  Notitie 5
 < 4
6 > 
             
1   - Memorie houdende opgave van tractement gerequireerd bij het comité van algemeen belang van de stad Leiden gegrond op de resolutie genomen op 26-2-1800 bij het departementaal bestuur van Texel t.a.v. 's lands politieke ambtenaren.  
2   Willem van der Stengh jr. als klerk bij de opziender van 's lands gemene middelen, (geniet geen emolumenten) geniet een jaarlijks tractement bij resolutie van 5 december 1794 van fl. 600,--.  
3   Aldus dezer ter goeder trouwe en naar waarheid geformeerd.  
4   Actum Leiden 27-3-1800. Willem van der Stengh jr.  
             
   
( SA II, inv.nr. 636, bijlage).
 
 

 

van der Stengh :  Notitie 6
 < 5
7 > 
             
1   - De wethouderen hebben Willem van der Stengh jr. ingevolge besluit van de Raad van de 21ste dezer [21-12-1804] gekwalificeerd om bij provisie ook te garderen de stedelijke accijnzen en armengelden op de middelen waarvan hij de lands collecte heeft.  
             
   
( SA II, inv.nr. 640, notulen H. Hren. wethouderen der stad Leyden, d.d. 31-12-1804).
 
 

 

van der Stengh :  Notitie 7
 < 6
8 > 
             
1   -Heden den 22-1-1819 ten verzoeke van vrouwe Sara Elisabeth van der Stengh, weduwe van de heer Paulus la Lau, in leven medisch docter wonende binnen deze stad op de Hooglandsche Kerkgracht eerstelijk in privé en als gemachtigde van haar zuster en andere in acte genoemde personen .... een aanvang gemaakt met de inventarisatie en beschrijving van alle de meubelen, effecten, gelden en goederen, titels, papieren, documenten, baten en lasten en in het algemeen van alles wat tot de boedel van gemelde heer Willem van der stengh behorende is en gevonden zoude mogen worden ten huize van de heer Bastiaan Dagevos, apotheker wonende op de Hooigracht omtrent dd Heresteeg alwaar gemelde overledene was inwonende en op 4-1-1819 is overleden.  
2   Zullende de voorzeide goederen worden vertoond en geinventariseerd...  
3   En zullen de goederen tot de boedel behorende, worden getaxeerd door Elisabeth Hoezée, wonende op de Hooglandse kerkgracht welke in handen van de vredesrechter met ede verklaard heeft de aan haar opgedragen commissie wel en naar geweten te zullen waarnemen....  
4   Inventarisatie van de boedel:  
5   Op de bovenkamer  
6      
7   Een kast met boeken, een lege ijzeren kist en een klein kistje fl. 22,--.    
8   In een achterhuis  
9      
10   Een kantoor lessenaar en kistje fl. 6,--.    
11   In een binnenkamer op een binnenplaats uitziende  
12   - Een turfkistje, een tonnetje, een engels schoorsteentje, een ijzeren kolenemmer en pook, een thee- en tabakskistje, een schilderij, twee kastanje vazen, vier verlakte kandelaars, twee dito trommeltjes, twee dito flessenbakjes, een dito blaker en snuiterbak, een blad met enig theegoed, een koperen theeketel, zes roomkleurige schalen, zes soepborden, een slabak, een ketel, vier wijnkelken, een theestoof en nachtblaker, kandelaar, kantoorblaker en snuiter, een blikken koffiekan en confoor, een dito theebox, drie tinnen conforen, een olie en azijnstel, een lantaarntje, twee amber doosjes, een paraplui, een inktkoker, een tabaksdoos, een pijpenlade, een ijzeren stoof, een koper confoortje, een hoed en doos, twee wandelstokken, een liniaal, een liquerkeldertje, een scheerbekken, vier stuks roongoed, een secretaire, een ladentafel, een bureau, twe speeltafels, een onderhemd, een borstrok, twee overhemden, twee halsdoeken, vijf zakdoeken, twee mutsen, een nachtdas, een paar kousen, een paar dito fl. 169,--.  
13   In de verzegeld geweest zijnde meubelen  
14   - Twee jassen, twee rokken, vier vesten, drie broeken, twee hoeden, twee paar schoenen, een paar pantoffels, een japon, zeven paar kousen, een bedjak, vijf hemdrokken, vier hemden, tien strikdassen, acht overhemden, vijf stroppen, vijftien paar mouwen, twee stroken, een zwarte das, zeven mutsen, drie paar handschoenen, twee tafellakens, twaalf servetten, vijf zakdoeken, een draagband, twee portefeuilles, twee borstels, twee tabaksdozen, een schaar, een stalen gesp, een kurketrekker, een snuifdoos en kleinigheden fl. 91,--.  
15   - Een lessenaartje fl. 2,--.  
16   De getaxeerde meubelen bedragen een som van fl. 269,--.  
17   Ongemunt goud en zilver  
18      
19   Een gouden horloge fl. 20,--.    
20   Twee zilveren lepels en dito vorken fl. 15,16,--.    
21   Een zilveren bandgreep fl. 4, 4,--.    
22   Twee zilveren kuitgespen fl. 1, 2,--.    
23   Een draadsmerk pijpendop fl. 1,16,--.    
24   Een zilveren naairing fl. 6,--.    
25   Een zilveren duit fl. 4,--.    
26   Het ongemunt goud en zilver beloopt een som van fl. 42 en 8 stuivers.  
27   Contante penningen  
28      
29   Een zak met diverse munten fl. 255-16-8,--.    
30   Een dito met fl. 300,--.    
31   Een dito met fl. 30,--.    
32   Een dito met fl. 18,10,--.    
33   In een doosje fl. 5- 1-8,--.    
34   In een dito fl. 1-10,--.    
35   In een laadje fl. 5-9-10,--.    
36   In een dito fl. 21-4,--.    
37   Het totale bedrag aan contante penningen is fl. 637-11-14.  
38   Actien en pretensien des boedels.  
39      
40   De laatste zes maanden burgerlijk pensioen fl. 600,--.    
41   Ten laste van wijlen Paulus la Lau fl. 150,--.    
42   enz. tesamen fl. 294,--.    
43   Titels en papieren  
44   Een afschrift van het testament van wijlen Willem van der Stengh dd. 20-9-1819 ten overstaan van notaris Klinkenberg Dozy.  
45   Wijders voortgegaan zijnde met examinatie van menigvuldige papieren zijn geen van enige waarde voor de boedel gevonden, het merendeel was administratie door de overledene op diverse terreinen gemaakt, welke niet geinventariseerd zijn geworden. Ook dat deel van de administratie m.b.t. commissies waarin de overledene zitting had en afgelopen zijn, wordt voor kennisgeving aangenomen.  
46   Schulden en lasten des boedels.  
47   De doodsschulden en begrafeniskosten kunnen vooralnog niet precies opgegeven worden, hetgeen dient als memorie.  
48   De legaten of makingen door den overledene besproken zijn door het vooroverlijden van de legatarissen vervallen, hetgeen alhier dient voor memorie.  
49   De verdere schulden en lasten des boedels, zo huishoudelijke als andere, als ook hetgeen bevonden zoude mogen worden bij den overledene wegens zijne administartie in kas zou moeten zijn, benevens de kosten en verzegeling en ontzegeling, mitsgaders de vereffening des boedels zullen als nog niet bekend zijnde in rekening des boedels worden gebracht, hetgeen inmiddels alhier dient voor memorie.....  
50   Is al hetgeen in deze inventaris gemeld, gesteld in het bezit van Sara Elisabeth van der Stengh, weduwe van Paulus la Lau in voorzeide haar relatie en kwaliteit die zulks erkent, mitsgaders belooft en aanneemt al hetzelve te zullen verantwoorden wanneer en aan wie zulks behoren zal.  
             
   
(GAL, Notarieel archief, notaris J.P. Klinkenberg Dozy, inv.nr. 209, 1819, acte nr. 9, f.34 e.v., fiche nr. 667, lade 79).
 
 

 

van der Stengh :  Notitie 8
 < 7
bron > 
             
1   - Met Gemene Middelen wordt bedoeld: belastingen op comsumptie en gebruik van goederen en diensten.  
2   Lit.: N.J.P.M. Bos en R.C.J. van Maanen, Fiscale bronnen: structuur en onderzoeks-mogelijkheden. Cahiers voor Lokale en Regionale Geschiedenis;10 (Zutphen 1993)10-11.  
3   De Gemenelandsmiddelen  
4   De imposten die tot 1748 verpacht en sinds 1750 gecollecteerd werden, maakten een aanzienlijk deel uit van de gewestelijke belastingen van Holland. De imposten leverden omstreeks 1750 in de regel ongeveer 45% van de fiscale inkomsten van het gewest op. Deze heffingen vormden een bont geheel en vielen, gelet op de wijze van heffen, uiteen in twee groepen, de beschreven en de onbeschreven middelen.  
5   De beschreven middelen werden jaarlijks of halfjaarlijks bij aanslag opgelegd op basis van de aangifte door de belastingplichtigen.  
6   De onbeschreven middelen bestonden voor het merendeel uit accijnzen of middelen van comsumptie.  
7   Lit.: J.W. Heringa, Van zelfstandig collecteur tot ambtenaar. Problemen rond de belastingdienst in Holland, 1750-1760 in: Holland, regionaal-historisch tijdschrift, 15 (1983) 81.  
8   Het belastingstelsel van Holland in de laatste jaren voor de revolutie.  
9   De zgn. 'gemeene middelen', deels bestaande uit directe, deels uit indirecte belastingen;  
10   a. de directe gemene middelen bestonden uit  
11   1. de 'bouwmiddelen, ten laste van de boeren (het 'hoorngeld', het 'oorgeld' op de paarden, het 'koehouderszoutgeld' en de belasting op de 'bezaaide en beteelde landen'); en  
12   2. de 'heerenmiddelen', ten laste van diegenen met een inkomen van meer den fl. 300 per jaar (het 'heeren- en redemtiegeld' op de dienstboden, het 'carossegeld', het 'coffij- en theegeld' en de 'consumtie op de tabak');  
13   b. de indirecte gemene middelen kunnen globaal ingedeeld worden in  
14   1. de accijnzen op de eerste levensbehoeften (tot de middelen met invloed op de prijzen van eerste levensbehoeften werden hier gerekend die op: 'brandhout',  
15   'boter', conssumtiezout', consumtiezeep', 'de waag', de 'rondemaat', 'inkomende granen', 'het gemaal', 'binnenbieren' (= in de eigen provincie gebrouwen bier), 'grove waren' (= bouwmaterialen), het 'veer- of passagegeld', 'turf en kolen' en 'ontgronding'); verreweg de belangrijkste hiervan was het 'gemaal', een belasting op het malen van granen, die leidde tot een verhoging van de broodprijzen;  
16   2. de overige accijnzen ('fruiten', 'beestiaal', 'buitenbieren', 'wijnen', 'mee', 'azijn', 'brandewijn', 'sterke dranken', 'zalm en steur', 'inkomende tabak' en 'inkomende pijpen'). (p. 131-132).  
17   De drie belangrijkste elementen in het Hollandse belastingstelsel waren blijkens deze tabel aan het einde van de 18de eeuw de 'verpondingen', de 'penningen' ten laste van het bezit van binnenlandse effecten en de 'gemene middelen'. Ongeveer 28% van de inkomsten was afkomstig uit belastingen die invloed konden hebben op de kosten van de eerste levensbehoeften. Bij een belastingopbrengst in Holland aan het einde van de 18de eeuw van in totaal bijna fl. 24 miljoen was het grootste deel n.l. bijna 60%, afkomstig uit directe en slechts ongeveer 40% uit indirecte belastingen.  
18   Deze conclusie verdient enige nadruk, omdat S. Schama [ Patriotten en Bevrijders] in een hoofdstuk over de belastinghervormingen stelt, dat dezeverhouding in Holland ten tijde van de Republiek juist omgekeerd was. Volgens hem is het de grote verdienste van het nieuwe belastingstelsel van Gogel van 1806 geweest, dat de verhouding tussen de opbrengst van de directe en de indirecte belastingen toen resp. 60% en 40% werd, in plaats van 40% en 60% zoals voorheen. (p. 133).  
19   Het effect van het patriotse streven naar een zodanige verdeling van de belastingdruk, dat niet alleen de 'gewone man' en de 'onroerend goed bezitter', maar ook degenen die hun inkomsten vooral dankten aan het bezit van koopmanskapitaal en effecten, daarin naar draagkracht belast waren, is dus in de Bataafse Republiek nogal tragisch geweest. In dit opzicht was men hier immers na de totstandkoming van de financiële unificatie uiteindelijk verder van huis dan ten tijde van de oude Republiek. Het streven naar een algemen inkomstenbelasting en de afschaffing van de accijnzen op de eerste levensbehoefte, mislukte ten tijde van de Bataafse Republiek. (p.131).  
             
   
(Lit.: J.M.F. Fritschy, De patriotten en de financiën van de Bataafse Republiek. Hollands krediet en de smalle marges voor een nieuw beleid (1795-1801). (Hollandse Historische Reeks; 10) 's-Gravenhage, 1988, 131-132.
 
 

 

van der Stengh : Bronnen
             
  GAL, Doop-, Trouw en Begraafregisters.
  GAL, Liste Civique de la commune de Leide 1811, nr. 2783 (rececreur des droit per les bouissons, geb. 8.3.1756).
  GAL, Bevolkingsregister 1796-1804, inv.nr. 1904, buurt 13, nr. 43.
  GAL, Herenboekjes.
  GAL, SA II, inv.nr. 636, 10-3-1800.
  GAL, SA II, inv.nr. 640, 31-12-1804.
  GAL, Bibli. Leiden en omg. inv.nr. 76131 pf, Naemlijst der tegenwoordige leden van het Tael- en Dichtlievend Genootschap, onder de Spreuk: Kunst wordt door Arbeid Verkreegen 1794.
  GAL, Bibli. Leiden en omg., inv.nr. 64204, pf, Naamlijst der honoraire leden van de societeit van wapenhandel, onder de spreuk: Voor Vrijheid en Vaderland, binnen Leyden. Opgericht den 16. maart 1784.
  GAL, Maatschappij van Weldadigheid, subcommissie Leiden, inv.nr. 73.
10    GAL, Notarieel Archief, notaris J.P. Klinkenberg Dozy, inv.nr. 2662-2678, 1796, acte nr. 10, f. 37, fiche nr. 2, lade 78.
             
 

 

PublicatieAuteurHome
Leiden
Weeshuis
Regenten
Antoinette
Frijns
2008
www.janvanhout.nl
Leiden