Home <—

 

 
"Het zoet van de macht".
 
         
De regenten en regentessen van het Weeshuis in Leiden
in de periode 1788-1830
"Nooit is een revolutie zo snel verlopen. Zes dagen waren voldoende om de vijand alle provincies in handen te spelen." De vijand in dit uit 1795 stammende citaat zijn de Franse troepen gevolgd door de patriotten.
Deze laatste groep eiste het aftreden van de vroedschap of veertigraad, het hoogste bestuurscollege van de stad, en de overdracht van het gezag aan een nieuw, voorlopig bestuur. De patriotten kregen hun zin: een volksvergadering in de Marekerk koos een provisionele raad die meteen op 19 januari 1795 in functie trad. Uit de personele samenstelling van de provisionele raad blijkt dat er een breuk met het verleden was omdat aan de monopoliepositie van het gereformeerde patriciaat, waaruit de veertigraad was samengesteld, een einde kwam.
Anderzijds was voorlopig sprake van een zekere continuïteit want personen, die een ambt in de ‘smalle diensten’ zoals het regentenschap van het weeshuis bekleedden, bleven in functie tot een herziening van het reglement op de begeving van ambten gereed was. Dit regentschap behoorde niet tot de topambten, zoals dat van lid van de veertigraad: het was in het gunstigste geval een opstap naar deze functies. Voor de meeste mannen die in de achttiende eeuw tot regent van het weeshuis werden benoemd, was dat ambt echter een eindfunctie. Voor regentessen bestond uiteraard nadat zij in het bestuur van het weeshuis hadden gezeten geen belangrijker functie want vrouwen bezaten geen kiesrecht, ook niet in de Bataafs-Franse Tijd en het Koninkrijk.
         
Conclusie
         
De politieke omwenteling in Leiden op 18 januari 1795 had niet direct gevolg voor het regentencollege van het weeshuis als bestuursinstelling. Het college bleef, anders dan de veertigraad, bestaan. Wel werden voor de bestuursfuncties nieuwe benoemingscriteria vastgesteld. Eerst na een jaar, in februari 1796, toen het politieke klimaat steeds democratischer werd, werden de regenten ontslagen en vervangen door nieuw benoemden. Deze hadden de juiste politieke overtuiging; de meerderheid van hen was al in de patriottentijd (1780-1787) politiek actief. Maar de groep miste veelal bestuurservaring en was niet afkomstig uit het oude regentenpatriciaat.
In het nieuwe stedelijk reglement van 1803 werd het ambt van regent van het weeshuis tot de ereambten gerekend. Vanaf die tijd werden, bij het ontstaan van vacatures, weer ervaren bestuurders in het college benoemd. Na 1806 kwamen enkele leden van oude Leidse regentengeslachten weer in het bestuur. De meeste na 1806 benoemde regenten hadden echter geen familierelatie met oude Leidse regentengeslachten.
In de privé sfeer conformeerden de regenten uit de periode 1788-1830 zich aan de heersende moraal. Zij vonden hun partner in de eigen welstandsgroep en trouwden volgens het gangbare huwelijkspatroon: de man was meestal ouder dan zijn bruid en het eerste kind werd ruim een jaar na de huwelijksdatum geboren. Bij enkelen is bewijsbaar dat ze een huwelijk uit liefde sloten. Bij anderen ontbreken aanwijzingen hiervoor. Hun vrije tijd brachten zij door met lezen, musiceren en het spelen van een partijtje schaken of dammen. De ontspanningsliteratuur werd geleend van het leesgezelschap waarvan de regent lid was. De heren gingen naar hun sociëteit. In de zomer trok men naar buiten om te tuinieren of om in zijn ‘speeltuin’ te genieten van de frisse lucht en de rust. Ook in de begrafenisgebruiken volgden de regenten en hun partners de mode van hun tijd. In plaats van rouwbrieven te sturen, maakten ze het overlijden van hun dierbaren bekend via rouwadvertenties in de kranten en als vertegenwoordiger van de elite kregen ze een deftige begrafenis.
De genootschappen en sociëteiten, waarvan de regenten/echtgenoten van regentessen lid waren, vormden netwerken van informele contacten en vervingen in zekere zin het familienetwerk.
De verschillen tussen de oude oranjegezinde en de nieuwe patriotse regenten waren niet groot. Het lidmaatschap van gezelligheidsverenigingen verving het familienetwerk en er kwam meer spreiding in de verschillende beroepssectoren. Daarmee valt ook de wat geringere welstand van de nieuwe regenten en de mannen van de regentessen te verklaren. Bij vergelijking tussen de oude oranjegezinde en de nieuwe patriotse regenten gelden voor de monarchale regenten kenmerken die men ook vóór 1796 aantreft. De meerderheid van hen was weer Leidenaar, welgestelder dan hun patriotse voorgangers en in het bestuur nam men ook weer leden van oude Leidse regentenfamilies op. Maar het overheersende beeld tussen de drie groepen weeshuisregenten en de mannen van de regentessen tussen 1788 en 1830 is er een van continuïteit: de elite bleef aan de macht ook al wisselde zij van personele samenstelling.
 
Antoinette Frijns   Publicatie
Leids Jaarboekje 2004
 
 

 

 

 

PublicatieAuteurHome
Leiden
Weeshuis
Regenten
Antoinette
Frijns
2008
www.janvanhout.nl
Leiden